Het markizaat Veere: een relict van het Bourgondisch-Habsburgse adelsbeleid Hans Cools Markiezen in de Nederlanden: een zeldzame soort In vrijwel alle officiële stukken gaan de meeste adellijke titels van de Nederlandse vorstin schuil achter de afgekorte bijwoorden ‘enz. enz. enz.’. Dat koningin Beatrix naast tal van andere titels die van markiezin van Veere en Vlissingen voert is dan ook niet meteen zichtbaar.1 Toch gaat het hier om een bijzondere titel. Hoewel zijn financiële situatie toen al weinig rooskleurig was, had Willem van Oranje het markizaat in 1581 verworven. Het was immers van bijzonder politiek en strategisch belang. Bij de titel hoorden de stemmen van Veere en Vlissingen in de Zeeuwse Staten. Deze laatste stad beheerste bovendien de Scheldemonding. Alva had er een citadel willen aanleggen en Vlissingen was het eerste Zeeuwse bruggenhoofd van de watergeuzen geweest. Bij de boedelscheiding die volgde op de dood van de Zwijger had Maurits zich dan ook met veel moeite het markizaat toegeëigend.2 Sindsdien is de titel altijd in handen van de familie gebleven en behoort hij al bijna vierhonderddertig jaar tot het patrimonium van de Oranje-Nassaus. Markiezen leven thans echter alleen in hun titulatuur verder. De twee andere overgebleven Nederlandse markizaten, dat van Heusden en dat van Hoensbroek, zijn intussen aan buitenlandse edellieden toegevallen. 3 Ook in België komt de titel niet vaak voor. Hij wordt slechts in acht families gevoerd en koning Albert I kende hem voor het laatst toe in 1932.4 Het predikaat markies is niet alleen zeldzaam, het heeft tevens een eerbiedwaardige ouderdom. In oorsprong was een markies of preciezer een marchio (markgraaf) een hoge Karolingische ambtsdrager die zowel militaire als administratieve functies vervulde. De eerste vermelding ervan dateert uit de late achtste eeuw (786).5 Een Karolingische marchio stond in voor troepenwervingen en grensverdediging als ook voor de integratie van pas veroverde gebieden in het (keizer)rijk. Hij was dan ook de hoogste keizerlijke gezagsdrager in een marca, limes of grensgebied. Dergelijke marcae bevonden zich aanvankelijk altijd aan de buitengrenzen van het rijk.6 Na de verkruimeling van het rijk onder de opvolgers van Karel de Grote ontstonden ook markgraafschappen langs de nieuwe binnengrenzen. Antwerpen werd bijvoorbeeld in het midden van de tiende eeuw de hoofdplaats van een dergelijk markgraafschap. Vanuit de plaatselijke burcht aan de oever van de Schelde diende de markgraaf, in naam van de keizer van het Oost-Frankische rijk, voortaan het expansiestreven van de Vlaamse graven tegen te gaan.7 In de vroege twaalfde eeuw werd dit markgraafschap geïntegreerd in het jonge hertogdom Brabant.8 Sindsdien was de titel markgraaf van Antwerpen vrijwel betekenisloos. Toch bleven de Brabantse hertogen en later ook de Bourgondische hertogen en hun Habsburgse opvolgers dit predikaat afzonderlijk opvoeren in hun titulatuur.9 Dat oude, feodale en intussen vrijwel betekenisloze markgraafschap dient echter te Zie bijvoorbeeld de Staatsalmanak 2009, dl. I, koninklijk huis. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje, 10, 22, 62-64, 66-68, 109, 223 en 292. Voor de geplande citadel te Vlissingen en de inname van de stad door de watergeuzen zie Arnade, Beggars. Iconoclasts and Civic Patriots, 195, 204 en 219. 3 Zie de lijst van (Nederlandse) adellijke familienamen, gepubliceerd door de Hoge Raad van Adel: http://www.hogeraadvanadel.nl/adeldom_adellijst.php. 4 Janssens, De evolutie van de Belgische adel, 476. 5 Charles du Fresne, seigneur du Cange e.a., Glossarium. dl. IV 278. 6 Werner, ‘Missus – Marchio – Comes’, 211-220 en Kreiker, ‘Mark, -grafschaft’, 300-302. 7 Verhulst, ‘Antwerpen’, 736-738 en Lampo, Vermaerde Coopstadt, 28-31. 8 Verhulst, ‘Antwerpen’, 736-738. 9 Meer over de titulatuur van de Bourgondische hertogen en hun Habsburgse opvolgers bij Stein, 1 2 1 worden onderscheiden van de jongere markiezentitel die Karel V voor het eerst in 1518 opnieuw in de Nederlanden toekende.10 Tijdens de daaropvolgende jaren en decennia verhief de keizer nog driemaal een Nederlands edelman tot markies. Dat gebeurde voor het laatst op 21 oktober 1555, toen Karel V vrijwel alle Walcherse lenen en feodale rechten van Maximiliaan van Bourgondië-Beveren (1514-1558) samenbracht in één leen en hij Maximiliaan de bijhorende erfelijke titel van markies toekende. 11 Het was zowat Karels laatste bestuursdaad. De volgende dag trad de keizer terug als soeverein van de ridderorde van het Gulden Vlies en vier dagen later, op 25 oktober, deed hij afstand van de heerschappij over de Nederlanden ten voordele van zijn zoon Filips.12 Het blijft gissen naar de precieze motieven voor deze keizerlijke begunstiging van Maximiliaan. Maar aard en tijdstip van de verheffing, suggereren wel dat het om een belangrijke gebeurtenis ging. Overigens bleef de markiezentitel ook na de troonsafstand van Karel V relatief zeldzaam in de Nederlanden. Net als zijn vader verleende Filips II hem vier maal. Tijdens de rest van het Ancien Régime kenden de opeenvolgende Hasbsburgse vorsten hem nog negenenveertig keer toe in de Nederlanden, waarvan zevenentwintig keer tijdens de zeventiende eeuw en tweeëntwintig keer in de achttiende eeuw. Op een totaal van 766 titeltoekenningen maakten de promoties tot markies dus niet meer uit dan 7,5 % van het totaal.13 In deze bijdrage houd ik de creatie van het markizaat Veere tegen het licht van het BourgondischHabsburgs adelsbeleid. Op deze wijze hoop ik te illustreren hoe de Bourgondisch-Habsburgse vorsten aristocraten aan zich bonden, hoe zij een rangorde in die groep aanbrachten en welke plaats zij daarin toekenden aan de Bourgondische heren van Veere. Het Bourgondisch-Habsburgse adelsbeleid in de Nederlanden De aanspraken van de Habsburgse vorsten en hun Bourgondische voorgangers op gezag in de Nederlanden berustten aanvankelijk, zoals hierboven al aangegeven, op een reeks feodale titels. Formeel dienden zij de Duitse keizers en de Franse koningen als hun leenheren te erkennen. Filips de Schone bijvoorbeeld bracht in 1498 nog persoonlijk leenhulde aan koning Lodewijk XII van Frankrijk voor de graafschappen Vlaanderen en Artesië14 en in 1505 liet hij zich door de Duitse keizer, zijn vader Maximiliaan van Oostenrijk, belenen met het hertogdom Gelre.15 Die formele afhankelijkheid belette de Bourgondische hertogen echter niet de prerogatieven van hun suzereinen te usurperen. Zo verleenden zij adeldom, net als bijvoorbeeld de Hollandse graven uit het Beierse ‘Seventeen’, 223-285. 10 Daarbij imiteerde Karel wellicht de Franse koning Lodewijk XII die in 1505 voor het eerst de titel van markies had toegekend; Lalanne, Dictionnaire historique, 1235. 11 Zie de bijdrage van Peter Henderikx in deze bundel. 12 Een uitgebreide beschrijving van Karels laatste Nederlandse regeringsdagen en de ceremoniële troonsafstand bij Gachard, Retraite et mort de Charles Quint, 80-155. Zie ook Brandi, Keizer Karel, 575-577. 13 Met dank aan prof. dr. P. Janssens die deze cijfers op verzoek opriep uit zijn databank van adellijke onderscheidingen door de Habsburgse vorsten voor de Nederlanden. Zie ook diens De evolutie van de Belgische adel, 208, 370-371 en 476. 14 Dumont (ed.), Corps universel diplomatique,, dl. III. 2, 412-413. Ook Karel van Luxemburg (de latere Karel V) bracht in 1515 leenhulde aan Frans I, zij het per procuratie; Dauchy, De processen in beroep, 298. 15 Geurts, ‘Filips de Schone en Gelre’, 73-76 en 87-88. De juridische status van de overige rijkslenen van Filips de Schone was minder duidelijk. De Borchgrave, Histoire des rapports, 98 vermeldt een belening van Filips door Maximiliaan voor Brabant etc., maar of die werkelijk heeft plaatsgevonden, kan worden betwijfeld. Daarmee zette Filips de Schone de facto de beleidslijn voort van zijn voorgangers Filips de Goede en Karel de Stoute. Die hadden immer gestreefd naar een zo groot mogelijke onafhankelijkheid t.o.v. het Duitse Rijk. Zie o.a. Ehm, Burgund und das Reich, 295-299; Nève, Het Rijkskamergerecht, 104-105; De Schepper, Cauchies, ‘Juridische instrumenten’, 130 en R. Stein, ‘Recht en territorium’, 78-79. 2 huis ook al vóór hen hadden gedaan. 16 Zij deden dat vooral, maar niet uitsluitend, door adelsbrieven uit te reiken.17 Overigens stonden de Hollandse graven en de Bourgondische hertogen hierin beslist niet alleen. Vrijwel alle laatmiddeleeuwse vorsten meenden dat het recht te adelen hen vanzelfsprekend toekwam.18 Wel nieuw was de pracht en praal waarmee de Bourgondische hertogen zich omgaven. Vooral de omvang van hun hofhoudingen sprong in het oog.19 Die hofhoudingen golden als microkosmoi, waarin elk lid zijn plaats kende. In de hogere rangen waren die plaatsen voorbehouden aan edellieden. Binnen de groep van edellieden brachten functieomschrijvingen en salarissen verder onderscheid aan. Getitelde edellieden trof men tot het einde van de vijftiende eeuw zelden aan bij het Bourgondische hof. De weinigen die er wel waren, behoorden vrijwel zonder uitzondering tot de vorstelijke familie. Predikaten als baanrots, baanderheer (banneret, banneratus) of burggraaf (vicomte, châtelain, castellanus), waarmee sommige hovelingen zich tooiden, verwezen naar eertijds prestigieuze feodale functies van militaire aard, maar waren intussen vrijwel betekenisloos geworden.20 In het bijzonder tijdens de regering van Filips de Goede was de hofhouding spectaculair gegroeid. Tussen 1426 en 1458 nam het aantal adellijke dignitarissen met 128 % toe: van 94 naar 214. Die groei weerspiegelde de fenomenale territoriale uitbreiding van het hertogelijk gezag. In de goed drie lustra tussen 1427 en 1443 had Filips de Goede maar liefst vijf nieuwe vorstendommen verworven: naast Henegouwen en Holland-Zeeland en West-Friesland, ook Namen, Brabant-Limburg en de Landen van Overmaze en Luxemburg. Daarmee had hij het Bourgondisch territorium in de Lage Landen in omvang verdrievoudigd. Toch waren edellieden uit de nieuw verworven gebieden, met uitzondering van de Brabanders, aanvankelijk slecht vertegenwoordigd aan het Bourgondische hof.21 Daar kwam pas tijdens het laatste kwart van de vijftiende eeuw verandering in.22 Hollanders en Zeeuwen bijvoorbeeld waren er tijdens de eerste decennia na de annexatie van hun graafschappen op één hand te tellen geweest. In de late vijftiende en de vroege zestiende eeuw namen ze echter tal van hoge posities in.23 Filips de Goede gaf wel meer nieuwe impulsen aan het adelsbeleid. Zo reikte hij na 1430 significant meer adelsbrieven uit.24 Nog in 1430 richtte hij de ridderorde van het Gulden Vlies op. Door edellieden op te nemen in een kring van quasi-gelijken waarin regels golden die alle leden bonden, trachtte de hertog de aanhankelijkheid van ‘zijn’ edellieden te versterken.25 Net zoals het uitgeven van adelsbrieven was de creatie van een dergelijke dynastieke ridderorde een stap die in beginsel aan soevereine vorsten was voorbehouden, maar die tevens door tal van anderen werd gezet. Tussen Wel voelde de veertiende-eeuwse jurist Filips van Leiden zich verplicht op grond van juridische argumenten en praktijkvoorbeelden te beargumenteren dat dergelijke acties van de Hollandse graven wel degelijk rechtsgeldig waren; Janse, Ridderschap in Holland, 56-60. 17 Paravicini, ’Soziale Schichtung‘, 388-397. 18 Naar het woord van Armstrong in diens ‘Had the Burgundian government a policy for the nobility’, 221: ‘The right to grant patents of nobility, like that of striking gold coins, was commonly regarded as a visible sign of sovereignty.’ 19 Paravicini, ‘The court’, 512-514. 20 Paravicini, ‘Soziale Schichtung‘, 374-380; Janssens, De evolutie van de Belgische adel, 129; Damen, Janse, ‘Adel in meervoud’, 525. 21 Paravicini, ‘Expansion et intégration’, 427-441. 22 Cools, Mannen met macht, 63-83. 23 Meer hierover en een uitgewerkte voorbeeldstudie voor de familie Egmond bij Cools, ‘Aristrocraten in de polder’, 175-181. 24 Janssens, De evolutie van de Belgische adel, grafieken op 195 en 214 en idem, ‘De la noblesse médiévale à la noblesse moderne’, 502. 25 Zie verder De Gruben, Les chapitres de la Toison d’or, passim; Cockshaw, Van den Bergen-Pantens (red.), L’Ordre de la Toison d’or, passim en Cools, Mannen met macht, 40-45. 16 3 1325 en 1470 werden er minimaal vijfentwintig opgericht.26 De meeste daarvan verdwenen al na enkele decennia, maar de orde van het Gulden Vlies bestaat nog steeds. Gemeten naar dat criterium is Filips de Goede beslist in zijn opzet geslaagd. Het ledenaantal van de orde van het Gulden Vlies was oorspronkelijk bepaald op dertig ridders plus de soeverein. In 1516 werd deze bovengrens, onder verwijzing naar het groeiend landencomplex van de Bourgondisch-Habsburgse dynastie, opgetrokken tot eenenvijftig. De exclusiviteit van de orde, haar plechtige samenkomsten, de privileges waarvan de leden genoten en hun zichtbare onderscheidingstekenen, zoals de beroemde halsketen en het lange rode statiegewaad, bevorderden een krachtig saamhorigheidsgevoel bij de ridders.27 Lidmaatschap van het Gulden Vlies werkte dus beslist statusverhogend.28 Filips de Goede rekruteerde ‘zijn’ vliesridders verhoudingsgewijs vaak in het hertogdom Bourgondië, het stamland van de dynastie, en aanpalende gebieden.29 Zijn generatiegenoot en vertrouweling Pierre de Bauffremont (ca. 1397-1472) was een van hen. Vliesridder vanaf de oprichting van de orde in 1430, huwde deze Pierre in 1447 Marie (overleden voor 23 augustus 1477), een buitenechtelijke dochter van de hertog.30 Acht jaar later, in 1456, bracht Filips de Goede zes van Pierres heerlijkheden samen in het nieuwe graafschap Charny.31 Met deze verheffing eigende de hertog zich weerom een vorstelijk voorrecht toe.32 Klaarblijkelijk besefte ook Pierre dat een dergelijke stap ongehoord was. Veiligheidshalve liet hij zijn verheffing dan ook tevens registreren door het Parlement van Parijs en dus goedkeuren door de Franse koning.33 Aanvankelijk bleven dergelijke rangverhogingen uitzonderlijk. Pas in 1473, dus zeventien jaar later, ging Filips’ zoon Karel de Stoute daar opnieuw toe over. Dat gebeurde ditmaal in de Nederlanden en wel voor territoria die formeel onder het keizerlijk leenrecht vielen. Ten gunste Jan van Croÿ (1395-1473) en diens opvolgers smolt de hertog toen een reeks heerlijkheden in Henegouwen samen tot het nieuwe graafschap Chimay. Het van oorsprong bescheiden Picardische geslacht Croÿ was onder Filips de Goede tot grote hoogtes gestegen. Tegelijkertijd hielden verschillende leden van de familie echter ook lenen van de Franse koning Lodewijk XI, bekleedden ze functies aan diens hof, traden ze toe tot diens ridderorde van Saint-Michel en ontvingen ze jaargelden van hem. Karel de Stoute wilde dergelijke praktijken niet langer dulden, maar kon er slechts een einde aan maken na een hoogoplopend conflict. Wellicht bezegelde de hertog met de verheffing van Jan tot graaf zijn uiteindelijke verzoening met de Croÿ’s.34 Nauwelijks twee maanden later overleed Jan. Een overzicht bij Boulton d’Arcy, The knights of the crown, passim. Regelmatige samenkomsten en een bovengrens van het aantal leden onderscheidden een ridderorde van de eertijds eveneens frequent opgerichte adellijke broederschappen. Deze criteria zijn te vinden bij de Bourgondische hofmeester en ervaringsdeskundige Olivier de la Marche. Zie zijn ‘Epistre pour tenir et celebrer la noble feste du Thoison d’Or’, in : Mémoires, dl. IV, 163. 28 Janssens heeft opgemerkt dat de bestuurlijke elite van het Bourgondisch-Habsburgse landencomplex beslist ruimer was dan het selecte kransje van Vliesridders. Zie zijn ‘De la noblesse médiévale à la noblesse moderne’, 494-495. Precies daarom werkte het lidmaatschap m.i. wel degelijk statusverhogend. 29 Cools, Mannen met macht, 41. 30 Een uitgewerkte biografie van hem bij Caron, La noblesse dans le duché, 314-373. 31 Caron, La noblesse dans le duché, 328-331. 32 Wel was Filips de Goede niet de enige leenman van de Franse koning die een dergelijke stap zette. Ook de Bretonse hertogen bijvoorbeeld creëerden met enige regelmaat baronieën en burggraafschappen; Contamine, La noblesse au royaume de France, 82. 33 Paravicini, ‘Soziale Schichtung’, 384 en aldaar n. 66. 34 Meer over de steile opgang van de familie Croÿ bij Thielemans, ‘Les Croÿ’, 15-17 en 130. Achtergrondinformatie over het conflict tussen de Croÿ’s en Karel de Stoute en meer literatuurverwijzingen zijn te vinden bij Cools, Mannen met macht, 99-100. P. de Win geeft in De Smedt (red.), Les chevaliers, 48-50 een biografische schets van Jan van Croÿ. Meer over Jans verheffing tot graaf tenslotte bij Janssens, ‘De la noblesse médiévale à la noblesse moderne’, 495-497 en bij Paravicini, ‘Soziale Schichtung’, 383-384. 26 27 4 Intussen keerde de fortuin ook Karel de Stoute de rug toe. Vanaf 1474 leed hij een reeks pijnlijke militaire nederlagen.35 Zijn vermogen edellieden aan zich te binden, altijd al de belangrijkste doelstelling van adelsbeleid, smolt weg als sneeuw voor de zon.36 Een keuze voor de Franse koning leek tal van edellieden nu betere perspectieven te bieden. De dood van Karel de Stoute op het slagveld bij Nancy in januari 1477 versnelde deze leegloop nog. Direct vanaf zijn komst naar de Nederlanden, in de zomer van datzelfde jaar, breidde Maximiliaan van Oostenrijk, de echtgenoot van Karels dochter Maria van Bourgondië, de hogere rangen van hun hofhouding dan ook fors uit.37 Daarbij schoof hij een groep verwanten en vertrouwelingen van Maria brutaal terzijde.38 Na het plotse overlijden van Maria, in het voorjaar van 1482, had Maximiliaan dan ook de grootst mogelijke moeite zich als regent voor hun nog minderjarige zoon Filips de Schone te laten erkennen. Dit conflict liep uit op een reeks burgeroorlogen die de Nederlanden een decennium lang in hun greep hielden en waarbij adellijke opposanten zich samen met Vlaamse, Hollandse en Brabantse stedelingen gewapenderhand tegen Maximiliaan keerden. 39 Maximiliaan van Oostenrijk polariseerde dus. Zijn adelsbeleid leverde winnaars en verliezers op. Tot die laatste groep behoorde Wolfert van Borsele, heer van Veere (ca. 1430-1486).40 Mede door toedoen van zijn zwager Lodewijk van Brugge-Gruuthuse (1427-1492) cumuleerde deze sinds 1477 het admiraalschap voor de Nederlanden met het stadhouderschap van Holland en Zeeland.41 Maximiliaan liet Wolfert echter al in mei 1480 als stadhouder vervangen door Joost van Lalaing (ca. 1437-1483).42 Na de dood van Maria van Bourgondië schaarde Wolfert zich dan ook aan de zijde van Maximiliaans tegenstanders en bestreed hij de aartshertog gewapenderhand. Die liet Wolfert in juni 1485 gevangen nemen en confisqueerde al zijn goederen. Nauwelijks een jaar later overleed de eens zo machtige Wolfert als een balling. Een onbetwiste winnaar daarentegen was Jan van Croÿ’s kleinzoon Karel (ca. 1450-1527).43 Deze Karel diende Maximiliaan van Oostenrijk als eerste kamerheer sinds 1482 en vormde een uitstekende tandem met Maximiliaans legeraanvoerder en plaatsvervanger Albrecht van Saksen (1443-1500).44 De beloning kwam al in 1486. Op 9 april van dat jaar, de dag ook waarop hij tot rooms-koning was gekroond, verhief Maximiliaan het graafschap Chimay tot prinsdom en wel ten Meer over de gevolgen hiervan voor Karel de Stoutes hofhouding bij Cools, ‘The Burgundian-Habsburg court’, 159-163. 36 Zie Janssens, ‘De la noblesse médiévale à la noblesse moderne’, 492: ‘Dans les anciens Pays-Bas comme ailleurs, le remodelage de l’ordre nobiliaire se fait en fonction du service princier.’ 37 Cools, ‘Edellieden en verschuivende grenzen’, 116-122 en idem, ‘Noblemen on the borderline’, 371-382. Toch bleef het aantal ‘Duitse’ en ‘Oostenrijkse’ vertrouwelingen van Maximiliaan aan het Bourgondische hof al bij al beperkt; idem, ‘Quelques hommes de cour’, 161-170. 38 Haemers, ‘Adellijke onvrede’, 178-215. 39 Haemers, ‘Opstand adelt?’, 586-608. 40 Biografische schetsen van Wolfert o.a. bij M.J. van Gent, in: De Smedt (red.), Les chevaliers, 192-194 en Cools, Mannen met macht, 160-162. 41 Meer over de band tussen Lodewijk van Brugge en Wolfert bij Haemers, ‘Adellijke onvrede’, 178-215. Uitgebreide biografische schetsen van Lodewijk van Brugge bij Martens, ‘De biografie van Lodewijk van Gruuthuse’, 13-36 en Vale, ‘An Anglo-Burgundian nobleman’, 115-131. 42 Damen, De staat van dienst, 286-287; Van Gent, Pertijelijke saken, 207-212 en 256; Kokken, Steden en Staten, 63-70. Biografische schetsen van Joost van Lalaing bij M. Baelde in: De Smedt (red.), Les chevaliers, 194-196 en bij Cools, Mannen met macht, 246. 43 Biografische schetsen bij Cools, Mannen met macht, 197-199 en R. Wellens, in: De Smedt (red.), Les chevaliers, 245-246. Meer over de verheffing van Chimay tot prinsdom bij Paravicini, ‘Soziale Schichtung’, 384. 44 Een biografische schets van Albrecht van Saksen bij Blockmans, ‘Albrecht de Stoutmoedige’, 189-200. Hofhistoriograaf Jean Molinet omschreef de band tussen Albrecht van Saksen en Karel van Croÿ als volgt: ‘Ces deux princes ensambles unis et accompagniéz de grant noblesse, conducteurs de guerre et gendarmerie, tant d’Alemaigne que de Haynau, par une proesse et haux explois dignes de memoire, labourèrent à la ressource des pays’; Chroniques, dl. II, 114. 35 5 gunste van Jan en diens nakomelingen. Uiteraard had Maximiliaans koningskroning een belangrijke meerwaarde voor het Bourgondisch-Habsburgse adelsbeleid. Voortaan waren zijn adellijke onderscheidingen onbetwistbaar en had hij in deze geen concurrentie meer te duchten van naburige vorsten.45 Toch bleef Maximiliaan spaarzaam met het verlenen van adellijke titels.46 Ook Karel V beperkte zich aanvankelijk tot het schenken van eerder geconfisqueerde Napolitaanse titels aan zijn Nederlandse vertrouwelingen. Zo kreeg zijn eerste kamerheer en opvoeder Willem van Croÿ-Chièvres (1458-1521) in 1516 onder andere de hertogdommen Archi en Sora.47 Een decennium later, op 10 februari 1526, had Karel van Lannoy (ca. 1485-1527) op gelijkaardige wijze het prinsdom Sulmona ontvangen.48 De keizer beloonde Karel hiermee voor de spectaculaire overwinning die hij een jaar eerder op de Franse koning Frans I had behaald bij Pavia. Maar nog op diezelfde tiende februari verhief Karel V ook Lannoy’s titelheerlijkheid, gelegen in WaalsVlaanderen, tot graafschap. Daarmee bracht Karel V meteen een van de bepalingen van de nauwelijks een maand eerder gesloten vrede van Madrid in de praktijk. Vernederd op het slagveld en gevankelijk afgevoerd naar Spanje had de Franse koning toen immers zijn suzereiniteit over Vlaanderen en Artesië moeten opgeven.49 In het totaal zou Karel V tijdens zijn lange regering een twintigtal adellijke titels uitreiken in de Nederlanden, waarvan de helft in nauwelijks zeven jaar tijd en wel tussen 1533 en 1540.50 Overigens verbleef de keizer van oktober 1532 tot en met november 1539 voortdurend in ZuidEuropa en Noord-Afrika; daarna trok hij over land door Frankrijk naar de Nederlanden om er de Gentse opstand neer te slaan. Vervolgens zou hij exact een jaar in de Lage Landen verblijven.51 Het lijkt er dus op dat Karel V zijn afwezigheid in de Nederlanden trachtte te compenseren met het verlenen van adellijke titels aan achtergebleven vertrouwelingen. Verder springt in het oog dat de keizer vooral hogere titels verleende: het vaakst creëerde hij graven (minimaal tien) en daarnaast, maar in kleinere getale, ook markiezen (vier), een prins en een hertog.52 Pas in de zeventiende eeuw zouden de Habsburgse vorsten lagere titels als burggraaf en vooral baron frequenter gaan toekennen.53 De begunstigden waren immer vertrouwelingen van de vorst. Zij hadden hem vaak jarenlang als raadsheer, militair of stadhouder gediend. Zo had keizer Frederik III de Maaslandse heren van Horn in 1450 nog gepromoveerd tot graven; Paravicini, ‘Soziale Schichtung’, 384 n. 65. Zie ook Janssens, ‘De la noblesse médiévale à la noblesse moderne’, 498. 46 Mij is van Maximiliaan alleen nog de verheffing van de Hollandse heerlijkheid Egmond tot graafschap d.d. 12 november 1486 bekend en dit ten gunste van Jan III van Egmond en zijn nakomelingen. In juni 1487 zou Maximiliaan dit graafschap nog uitbreiden met de heerlijkheden Purmerend, Purmerland en Ilpendam; Cools, Mannen met macht, 205-206; Duerloo en Janssens, Wapenboek., dl. II, 748. Overigens had keizer Sigismund van Luxemburg reeds in 1424 beoogd Egmond tot graafschap te verheffen, maar dit was om onbekende redenen niet doorgegaan; Paravicini, ‘Soziale Schichtung’, 384 n. 65. 47 Biografische schetsen van Willem bij R. Wellens, in De Smedt (red.), Les chevaliers, 204-206 en Cools, Mannen met macht, 200-202. Zie verder de intussen verouderde, maar immer bruikbare hagiografie van Dansaert en De Limburg Stirum, Guillaume de Croy-Chièvres, passim. Archi ligt in provincie Chieti, regio Abruzzo. Sora maakt deel uit van de provincie Frosinone, regio Lazio. 48 Nu gelegen in de provincie L’Aquila, regio Abruzzo. 49 Zie voor de bepalingen van de vrede van Madrid Dauchy, De processen in beroep, 301. Meer over de onderhandelingen die tot de vrede leidden bij Knecht, Renaissance Warrior and Patron, 239-248. De verheffing van Karel van Lannoy tot graaf van het Heilig Roomse Rijk (en dus niet Frankrijk) bij Duerloo en Janssens, Wapenboek., dl. II536. 50 Janssens, ‘De la noblesse médiévale à la noblesse moderne’, 498. 51 De Boom, De reizen van Karel V, bijlage. 52 Voor adellijke titels gold van oudsher en tot aan de Franse Revolutie de volgende hiërarchie van laag naar hoog: baron - burggraaf - graaf - markies - prins - hertog. In de negentiende eeuw kwam de prinsentitel boven die van hertog te staan; Janssens, De evolutie van de Belgische adel, 133-135. 53 Janssens, ‘De la noblesse médiévale à la noblesse moderne’, 498-499. 45 6 Die twintig adellijke titels werden overigens toegekend aan een nog selecter groepje van personen. In 1517 bijvoorbeeld maakte Karel V bovengenoemde Willem van Croÿ-Chièvres tot graaf van Beaumont in Henegouwen, en een jaar later verenigde hij Willems Brabantse bezittingen rondom Leuven in het markizaat Aarschot.54 Datzelfde complex werd in april 1533 door de keizer tot hertogdom verheven, ditmaal ten gunste van Willems opvolger Filips (1496-1549). Deze Filips verkreeg gelijktijdig ook de promotie van de Artesische heerlijkheid Renty tot markizaat.55 Tijdens dezelfde ronde kende de keizer in een soortgelijke beweging Anton van Glymes (1500-1541) ook de titels toe van graaf van Walhain en markies van Bergen op Zoom.56 Kortom, het aantal getitelde edellieden in de zestiende-eeuwse Nederlanden bleef zeer beperkt. Een dergelijk teken van distinctie was alleen voor de aller-aanzienlijkste leden van de vorstelijke entourage weggelegd. Op deze wijze werd de hoogste adel formeel onderscheiden van de lagere strata binnen de tweede stand. Ook de orde van het Gulden Vlies bleef een exclusief gezelschap. Tussen 1515 en 1555, de jaren van Karel V’s persoonlijke regering, werden niet meer dan vierendertig Nederlandse edellieden tot vliesridder verkozen. Tot 1519 bleef de gemiddelde leeftijd waarop ze tot de orde toetraden zakken. De uitverkiezing tot vliesridder hield in die decennia dan ook steeds minder de beloning in voor een lange en trouwe loopbaan in dienst van de vorst. Ze gaf aan dat een edelman behoorde tot een kring van quasi-gelijken rondom de nog jonge soeverein. Vanaf 1531 schommelde de gemiddelde leeftijd van de nieuwe vliesridders rond de vijfendertig jaar. Zo die er al kwamen, dan volgden de nog zeldzamere titeltoekenningen later in de carrière. Lidmaatschap van het Gulden Vlies was daarmee een onderdeel geworden van de cursus honorum die een Bourgondisch-Habsburgs aristocraat doorliep. Dit alles valt af te leiden uit onderstaande tabel. Tabel I. Gemiddelde leeftijd van de nieuwe vliesridders, 1478-1559 Kapittel Aantal bij berekening betrokken vliesridders57 Gemiddelde Leeftijd bij verkiezing 13e k., Brugge, 1478 8 43 ½ jaar 14e k., Den Bosch, 1481 7 43 ½ jaar 15e k., Mechelen, 1491 11 41 ½ jaar k., Brussel, 1501 4 38 jaar 17e k., Middelburg, 1505 4 34 jaar 18e k., Brussel, 1516 12 30 ½ jaar 19e 2 25 ½ jaar 20e k., Doornik, 1531 9 37 ¼ jaar 21e k., Utrecht, 1546 11 33 ½ jaar 22e 8 36 jaar 7 33 ¼ jaar 16e k., Barcelona, 1519 k., Antwerpen, 1556 23e k., Gent, 1559 Duerloo, Janssens, Wapenboek van de Belgische adel, dl. I, 626 en Minnen, ‘Een hertogdom in Brabant’, 16. Biografische notities van deze man o.a. bij Baelde, De collaterale raden, 252-253 en Cools, Mannen met macht, 196-197. 56 Van Ham, Macht en gezag in het Markiezaat, 92-93. Zie ook Antons prosopografische notitie in Cools, Mannen met macht, 215. 57 Souvereinen van de Orde, buitenlandse vorsten en Vliesridders waarvan ik het geboortejaar niet kende noch het met enige zekerheid kon schatten, heb ik niet bij de berekeningen betrokken. 54 55 7 De loopbaan van Maximiliaan van Bourgondië-Beveren De loopbaan van Maximiliaan van Bourgondië-Beveren, eerste markies van Veere, past netjes in dit patroon. Als zesentwintigjarige was hij zijn vader Adolf (1489-1540) opgevolgd als admiraal voor de Nederlanden.58 Twee jaar later had hij Louiza van Croÿ gehuwd. Deze Louiza was een dochter van bovengenoemde Filips, de eerste hertog van Aarschot en wellicht de rijkste Nederlandse edelman van zijn generatie.59 Maximiliaans vader en schoonvader waren reeds in 1516 verkozen tot vliesridders. In 1546, hij was toen tweeëndertig jaar oud, werd Maximiliaan op zijn beurt in de illustere orde opgenomen. Weer een jaar later volgde zijn benoeming tot stadhouder van de gewesten Holland, Zeeland en Utrecht. Vervolgens moest Maximiliaan nog negen jaar wachten eer de keizer zijn Walcherse bezittingen samenvoegde in het nieuwe markizaat Veere. Een dergelijk parcours stempelde Maximiliaan beslist tot een Bourgondisch-Habsburgse aristocraat. Dat hoeft niet te verwonderen. Al in de late vijftiende en de vroege zestiende eeuw behoorden de heren van Veere uit het huis Borsele en hun Bourgondische opvolgers tot de meest vooraanstaande edellieden in de Lage Landen.60 Toch valt bij nader inzien op dat aristocraten uit andere geslachten hun titels vroeger hadden vergaard. Hierboven gaf ik enkele voorbeelden uit de familie Croÿ. Maar ook Maximiliaans buren in de Scheldedelta kwamen eerder aan de beurt. Zo werd Anton van Lalaing (1480-1540) al in 1518 graaf van Hoogstraten61 en mocht zijn oom Anton van Glymes zich, zoals hierboven reeds aangehaald, vanaf 1533 markies van Bergen op Zoom noemen.62 Hendrik III van Nassau (1483-1538) tenslotte was weliswaar slechts heer van Breda, maar in het Rijk voerde hij een graventitel. Zijn zoon René van Chalon (1519-1544) verwierf zelfs het soevereine prinsdom Orange.63 Meer dan vierhonderdvijftig jaar na dato valt niet meer te achterhalen welke motieven Karel V precies hebben bewogen bij het verheffen van Veere tot markizaat, noch waarom Maximiliaan van Bourgondië-Beveren deze gunst relatief laat verwierf. Maar onmiskenbaar versterkte deze promotie Maximiliaans reputatie als een van de meest vooraanstaande edellieden in de Lage Landen. De combinatie van prestige en de uitzonderlijke geografische ligging maakten zijn markizaat Veere, ondanks de schulden waarmee het van bij aanvang was belast, ook in de latere Republiek tot een aantrekkelijk bezit.64 Zie voor biografische schetsen van Adolf van Bourgondië en voor meer literatuurverwijzingen de bijdrage van L. Sicking aan deze bundel en zijn Neptune and the Netherlands, passim. 59 Cools, Mannen met macht, 196-197. 60 Zie de tabellen bij Cools, Mannen met macht, 141 en 144 en Janssens, ‘De la noblesse médiévale à la noblesse moderne’, 493. Zie verder de bijdragen van Peter Henderikx en Louis Sicking in deze bundel. 61 Voor een biografie van Anton zie Noordam-Croes, Antoon van Lalaing, passim, en de recentere literatuurverwijzingen bij Cools, Mannen met macht, 243-245. Zie ook Duerloo en Janssens, Wapenboek., dl. II, 513. 62 Anton van Glymes’ zus, Anna was in 1509 getrouwd met Adolf van Bourgondië. Maximiliaan was hun zoon. 63 Biografische schetsen van Hendrik III en René van Chalon zijn o.a. te vinden bij Jansen, ‘De Bredase Nassaus’, 13-50. 64 Zie hiervoor de bijdrage van Simon Groenveld in deze bundel. 58 8 Bronnen en Literatuur Armstrong, C.A.J., ‘Had the Burgundian government a policy for the nobility?’, in Idem ed., England, France and Burgundy in the Fifteenth Century (Londen, 1983), 213-236 (oorspronkelijk verschenen in Bromley, J.S. en Kossmann, E.H. eds., Britain and the Netherlands. II (Groningen, 1964), 9-32). Arnade, P., Beggars, Iconoclasts and Civic Patriots. The Political Culture of the Dutch Revolt (Ithaca, 2008). Baelde, M., De collaterale raden onder Karel V en Filips II. Bijdrage tot de geschiedenis van de centrale instellingen in de zestiende eeuw (Brussel, 1965). Blockmans, W., ‘Albrecht de Stoutmoedige, hertog van Saksen, stadhouder-generaal der Nederlanden (1443-1500)’, in Handelingen van de Koninklijke Kring voor Ooudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, 95 2e afl. (1991), 189-200. Boom, G. de, De reizen van Karel V (Haarlem, 1960) (oorspronkelijk verschenen als Les voyages de Charles Quint, Brussel, 1957). Borchgrave, E. de, Histoire des rapports de droit public qui existèrent entre les provinces belges et l’empire d’Allemagne depuis le démembrement de la monarchie Carolingienne jusqu’à lincorporation de la Belgique à la république française (Brussel etc., 1870). Boulton D’.J.D. The knights of the crown. The monarchial orders of knighthood in Later medieval Europe. 1325-1520 (Woodbridge, 20002). Brandi, K., Keizer Karel V. Vorming en lot van een persoonlijkheid en van een wereldrijk (Amsterdam, 1941) (oorspronkelijk verschenen als Kaiser Karl V. Werden und Schiksal einer Persönlichkeit und eines Weltreiches, München, 1937). Caron, M.T., La noblesse dans le duché de Bourgogne. 1315-1477 (Lille, 1987). Cockshaw, P. en Bergen-Pantens, C. Van den eds., L’Ordre de la Toison d’or, de Philippe le Bon à Philippe le Beau (1430-1505): idéal ou reflet d’une société (Brussel en Turnhout, 1996). Contamine, Ph., La noblesse au royaume de France. De Philippe le Bel à Louis XII (Paris, 1997). Cools, H., ‘Noblemen on the Borderline: The Nobility of Picardy, Artois and Walloon Flanders and the Habsburg-Valois Conflict, 1477-1529’, in Blockmans, W. , Boone, M., en Hemptinne, T. de eds., Secretum Scriptorum. Liber alumnorum Walter Prevenier (Leuven en Apeldoorn, 1999), 371382. Idem, Mannen met macht. Edellieden en de Moderne Staat in de Bourgondisch-Habsburgse Landen (1475-1530) (Zutphen, 2001). Idem, ‘Aristocraten in de polder: over de geleidelijke opkomst van een bovengewestelijke adelsgroep in Holland, ca. 1430 - ca. 1530’, in Holland, 34 (2002), 167-181. Idem, ‘The Burgundian-Habsburg court as a military institution from Charles the Bold to Philip II’, in Gunn, S.J. en Janse, A. eds., The Court as a Stage: England and the Low Countries. 1270-1580 (Woodbridge, 2006), 156-168. Idem, ‘Edellieden en verschuivende grenzen. Enkele overwegingen over de Franche-Comté tussen 1477 en 1500’, in Geurts J. en Schepper, H. de eds., Staatsvorming onder Bourgondiërs en Habsburgers. Theorie en praktijk (Maastricht, 2006), 113-125. Idem, ‘Quelques hommes de cour originaires des pays germaniques aux Pays-Bas à l’époque de Maximilien Ier’, in Publications du Centre Européen des Etudes Bourguignonnes, 46 (2006), 161170. Damen, M., De staat van dienst. De gewestelijke ambtenaren van Holland en Zeeland in de Bourgondische periode (1425-1482) (Hilversum, 2000). Idem en Janse, A., ‘Adel in meervoud. Methodologische beschouwingen over comparatief adelsonderzoek in de Bourgondische Nederlanden, in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 123 (2008), 517-540. Dansaert G. en Limburg-Stirum, Th. de, Guillaume de Croy-Chièvres, dit le Sage (Paris etc., 1937). Dauchy, S., De processen in beroep uit Vlaanderen bij het Parlement van Parijs (Brussel, 1995). 9 Duerloo, L. en Janssens, P., Wapenboek van de Belgische adel van de 15de tot de 20ste eeuw (Brussel, 1992, 3 vols.). Dumont, J., Corps universel diplomatique du droit des gens; contenant un recueil des traitéz d’alliance, de paix, de treve etc. (Amsterdam en Den Haag, 1726-1739). Ehm, P., Burgund und das Reich. Spätmittelalterliche Außenpolitik am Beispiel der Regierung Karls des Kühnen (1465-1477) (München, 2002). Charles du Fresne, seigneur du Cange e.a. eds., Glossarium mediae et infimae latinitatis (Niort, 1883-1887). Gachard, L.P., Retraite et mort de Charles Quint au monastère de Yuste. Introduction (Brussel, 1854). Gent, M.J. van, ‘Pertijelijke saken’. Hoeken en Kabeljauwen in het Bourgondisch-Oostenrijkse tijdperk (Den Haag en Haarlem, 1994). Geurts, J., ‘Filips de Schone en Gelre. Een ‘nationale’ vorst ontmaskerd?’, in R. Fagel e.a. eds., Filips de Schone, een vergeten vorst (1478-1506) (Maastricht, 2008), 63-93. Gruben, F. de, Les chapitres de la Toison d’or à l’époque bourguignonne (1430-1477) (Leuven, 1997). Haemers, J., ‘Adellijke onvrede. Adolf van Kleef en Lodewijk van Gruuthuse als beschermheren en uitdagers van het Bourgondisch-Habsburgse hof (1477-1482), in Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis, 10 (2007), 178-215. Idem, ‘Opstand adel? De rechtvaardiging van het politieke verzet van de adel in de Vlaamse Opstand (1482-1492)’, in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 123 (2008), 586-608. Ham, W.A. van, Macht en gezag in het Markiezaat. Een politiek-institutionele studie over stad en land van Bergen op Zoom (1477-1583) (Hilversum, 2000). Janse, A., Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen (Hilversum 2001). Jansen, H.P.H., ‘De Bredase Nassaus’, in Tamse, C. ed., Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis (Utrecht, 19962), 13-50. Janssens, P., De evolutie van de Belgische adel sinds de late middeleeuwen (Brussel, 1998). Idem, ‘De la noblesse médiévale à la noblesse moderne. La création dans les anciens Pays-Bas d’une noblesse dynastique (XVe – début XVIIe siècle), in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 123 (2008), 490-516. Knecht, R.J., Rennaissance Warrior and Patron. The Reign of Francis I (Cambridge etc., 1994). Kokken, H., Steden en Staten. Dagvaarten van steden en Staten van Holland onder Maria van Bourgondië en het eerste regentschap van Maximiliaan van Oostenrijk (1477-1494) (Den Haag en Haarlem, 1991). Kreiker, S., ‘Mark, -grafschaft. I. Frankenreich und Deutsches Reich’, in Lexikon des Mittelalters. VI (Stuttgart, 1977-1999), 300-302. Lalanne, L., Dictionnaire historique de la France etc. (Paris, 1872). Lampo, J., Vermaerde Coopstadt. Antwerpen in de Middeleeuwen (Leuven, 2000). Martens, M.P.J., ‘De biografie van Lodewijk van Gruuthuse’, in Idem ed., Lodewijk van Gruuthuse. Mecenas en Europees diplomaat. ca. 1427-1492 (Brugge, 1992), 13-36. Minnen, B., ‘Een hertogdom in Brabant. De vorming van het hertogdom Aarschot’, in J.-M. Duvosquel e.a. eds., Een stad en een geslacht. Leuven en Croÿ (Brussel, 1987), 9-17. Olivier de la Marche, Mémoires d’Olivier de la Marche maître d’hôtel et capitaine des gardes de Charles le Téméraire. Tomes I-IV, eds. H. Beaune en J. d’Arbaumont (Parijs, 1883-1888). Jean Molinet, Chroniques. Tomes I-III, eds. G. Doutrepont en O. Jodogne (Brussel, 1935-1937). Nève, P.L., Het Rijkskamergerecht en de Nederlanden. Competentie – Territoir – Archieven (Assen, 1972). 10 Noordam-Croes, M.L.J.C., Antoon van Lalaing (1480-1540). Kamerheer en Chevalier d’honneur van Margareta van Oostenrijk, hoofd van financiën in de Nederlanden (1514/15-1530) (Hoogstraten, 1968). Paravicini, W. ed., Menschen am Hof der Herzöge von Burgund (Stuttgart, 2002). Idem, ‘Soziale Schichtung und soziale Mobilität am Hof der Herzöge von Burgund’, in Idem ed., Menschen am Hof, 371-426 (oorspronkelijk verschenen in Francia, V (1977), 127-182). Idem, ‘Expansion et intégration. La noblesse des Pays-Bas à la cour de Philippe le Bon’, in Idem ed., Menschen am Hof, 427-443 (oorspronkelijk verschenen in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 95 (1980), 298-314. Idem, ‘The Court of the Dukes of Burgundy. A Model for Europe?’, in Idem ed., Menschen am Hof, 507-534 (oorspronkelijk verschenen in Asch, R.G. en Birke, A.M. eds., Princes, Patronage and the Nobility. The Court at the Beginning of the Modern Age. c.1450-1650 (Oxford etc., 1991), 69-102). Schepper, H. de en Cauchies, J.-M., ‘Juridische instrumenten van de landsheerlijke macht,’ in: Soly, H. en Vermeir, R., Beleid en bestuur in de oude Nederlanden. Liber Amicorum prof. dr. M. Baelde (Gent, 1993), 127-181. Scherft, P., Het sterfhuis van Willem van Oranje (Leiden, 1966). Sicking, L., Neptune and the Netherlands. State, Economy and War at Sea in the Renaissance (Leiden, 2004). Smedt, R. de ed., Les Chevaliers de l’Ordre de la Toison d’or au XVe siècle. Notices biobibliographiques (Frankfurt am Main, 20002). Staatsalmanak voor het koninkrijk der Nederlanden. 2009 (‘s Gravenhage, 2008). Stein, R. ‘Recht en territorium. De Lotharingse ambities van Filips de Goede’, in: Geurts, J. en Schepper, H. de eds., Staatsvorming onder Bourgondiërs en Habsburgers. Theorie en praktijk (Maastricht, 2006), 51-79. Idem, ‘Seventeen. The multiplicity of a unity in the Low Countries’, in: Boulton, D’.J.D. en Veenstra, J.R. eds., The ideology of Burgundy. The promotion of national consciousness, 13641565 (Leiden 2006), 223-285. Thielemans, M.-R. ed., ‘Les Croÿ, conseillers des ducs de Bourgogne. Documents extraits de leurs archives familiales. 1357-1487’, in: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 124 (1959), 1-144. Vale, M., ‘An Anglo-Burgundian Nobleman and Art Patron: Louis de Bruges, Lord of la Gruthuyse and Earl of Winchester’, in Barron, C. en Saul N., England and the Low Countries in the Late Middle Ages (New York, 1995), 115-131. Verhulst, A., ‘Antwerpen’, in Lexikon des Mittelalters. I (Stuttgart, 1977-1999), 736-738. Werner, K.F., ‘Missus – Marchio – Comes. Entre l’administration centrale et l’administration locale de l’Empire carolongien’, in W. Paravicini en Idem eds., Histoire comparée de l’administration (IVe-XVIIIe siècles) (Beihefte der Francia 9) (München, 1980), 191-239. 11