- Scholieren.com

advertisement
Biologie Genetica samenvatting
Fenotype: de zichtbare eigenschappen van een organisme.
- Het fenotype van een organisme komt tot stand door het genotype en door invloeden uit het
milieu.
Genotype: de informatie voor alle erfelijke eigenschappen.
- De informatie voor alle erfelijke eigenschappen bevind zich in de chromosomen.
Chromosomen:
- Komen in een lichaamscel (46 chromosomen) in paren voor. Deze paren zijn gelijk.
- Chromosomen bevatten informatie voor erfelijke eigenschappen. De paren bevatten allebei
dezelfde informatie voor dezelfde erfelijke eigenschappen.
o Een gen is een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor één erfelijke
eigenschap. De stof DNA bevat de informatie van de erfelijke eigenschappen. DNA
bevind zich in een chromosoom en in een gen.
- Geslachtschromosomen:
o Twee soorten geslachtschromosomen zijn het X-chromosoom en het Y-chromosoom.
 Het X-chromosoom bevat meer informatie dan het Y-chromosoom.
o Een vrouw bevat bij chromosoompaar 23 de geslachtschromosomen XX en een man
bevat bij het 23 chromosoompaar de geslachtschromosomen XY. Dit is bij beide in
elke lichaamscel.
 Het 23e chromosoompaar bepaalt het geslacht.
o Voor vele dieren geldt dat één paar geslachtschromosomen het geslacht van het dier
bepaalt.
Geslachtschromosomen in geslachtscellen:
- In geslachtscellen komen chromosomen enkelvoudig voor.
- Bij vorming van geslachtscellen vind reductiedeling (meiose) plaats.
o Hierbij komt van elk chromosoompaar één chromosoom terecht in de geslachtscel.
Hierdoor bevat de geslachtscel ook maar één geslachtschromosoom.
- Een eicel bevat altijd een X-chromosoom. Een zaadcel kan een X- of Y-chromosoom bevatten.
- Bij bevruchting:
o Bij een bevruchting versmelten de kern van een eicel met de kern van een zaadcel.
 De kern van een eicel bevat een X-chromosoom. Als de kern van de zaadcel
ook een X-chromosoom bevat dan ontwikkelt zich er een meisje (XX). Als de
kern van de zaadcel een Y-chromosoom bevat, dan ontwikkelt zich er een
jongentje (XY). (het geslacht wordt bij de bevruchting bepaalt door de
zaadcel)
Tweelingen:
- Twee-eiige tweeling:
o Ontstaat uit 2 bevruchte eicellen die zich ontwikkelen in het baarmoederslijmvlies.
o Hebben niet dezelfde genotype.
o Hoeven niet per sé het zelfde geslacht te hebben.
- Eeneiige tweeling:
o Ontstaat uit één bevruchte eicel waarvan tijdens de eerste delingen de cellen van
elkaar los zijn geraakt.
o Hebben dezelfde genotype.
o Hebben altijd hetzelfde geslacht.
Van klein naar groot:
DNA – gen – chromosoom – celkern – cel
Genenparen:
- Homozygoot: een genenpaar dat bestaat uit genen die aan elkaar gelijk zijn.
o Homozygoot recessief: twee gelijken genen die alleen tot uiting komen als er geen
dominant gen aanwezig is.
 Wordt aangegeven met ‘aa’
o Homozygoot dominant: twee gelijken genen die altijd tot uiting komen.
 Wordt aangegeven met ‘AA’
- Heterozygoot: een genenpaar dat bestaat uit genen die ongelijk zijn.
o Alleen het dominante gen komt tot uiting. Het recessieve gen is wel in het genotype.
o Wordt aangegeven met ‘Aa’
- Recessief gen: een gen dat alleen tot uiting komt als er geen dominant gen aanwezig is.
o Wordt aangegeven met ‘a’
- Dominant gen: een gen dat altijd tot uiting komt.
o Wordt aangegeven met ‘A’
- Drager: iemand die een recessief gen draagt, maar niet tot uiting komt door het dominante
gen.
Kruisingen:
- Ouders = P
- Nakomelingen = F1
- Tweede generatie nakomelingen = F2
Homozygoot dominant × homozygoot dominant
A
A
-
A
AA
AA
A
AA
AA
100% AA
Homozygoot recessief × homozygoot recessief
a
a
-
a
aa
aa
a
aa
aa
100% aa
Homozygoot dominant × homozygoot recessief
a
a
-
A
Aa
Aa
100% Aa
A
Aa
Aa
Heterozygoot × homozygoot dominant
A
A
-
A
AA
AA
50% AA
50% Aa
Verhouding:
a
Aa
Aa
1:1
Heterozygoot × homozygoot recessief
a
a
-
A
Aa
Aa
50% Aa
50% aa
Verhouding:
a
aa
aa
1:1
Heterozygoot × heterozygoot
A
a
-
A
AA
Aa
a
Aa
aa
50% Aa
25% AA
25% aa
Stambomen:
- In een stamboom kan je zien van wie iemand afstamt.
o In de biologie gebruiken we stambomen om weer te geven hoe eigenschappen
worden overgedreven.
 Een vrouw wordt aangegeven met een rondje en een man wordt
aangegeven met een vierkantje.
- Als twee ouders met gelijk fenotype een nakomeling krijgen met een ander fenotype zijn
beide ouders heterozygoot voor deze eigenschap.
o De nakomeling is dan homozygoot recessief voor deze eigenschap.
Intermediaire fenotypen:
- Onvolledig dominant: als het recessieve gen toch nog enigszins uiting in het fenotypen
toont, al is er ook een dominant gen.
- Intermediair: als beide verschillende genen even ‘sterk’ zijn.
o Een intermediair wordt aangegeven door twee dominante genen met een kleine
letter er onder om bijvoorbeeld de kleur aan te duiden.
 Bijvoorbeeld:
Homozygoot dominant rode bloem:
ArAr
Homozygoot dominant witte bloem:
AwAw
Kruising tussen de rode en witte bloem:
Ar
Ar
Aw
ArAw
ArAw
Aw
ArAw
ArAw
 100% ArAw
 De F1 is roze van kleur
Geslachtelijke voortplanting:
- Twee geslachtscellen versmelten zich met elkaar.
o Geslachtscellen ontstaan door reductiedeling. Bij reductiedeling komen de
chromosomen van de moedercel in paren voor.
 Van elk chromosoompaar is één chromosoom afkomstig van de vader en één
chromosoom is afkomstig van de moeder.
o Bij geslachtelijke voortplanting hebben de dochtercellen veel verschillende
genotypen.
 Dit komt doordat welke cellen met elkaar versmelten afhangt van puur
toeval.
 Het genotype van de nakomelingen zijn anders dan van de ouders.
Ongeslachtelijke voortplanting:
- Kunstmatige selectie: hierbij worden uit een nakomelingschap alleen de individuen met
gunstige erfelijke eigenschappen gebruikt voor verdere kruisingen.
o In de landbouw gebruiken ze dit om een combinatie van gunstige eigenschappen in
één nakomeling te verkrijgen. Dit wordt veredeling genoemd.
 Bijvoorbeeld: snelle groei, grote vruchtbaarheid, hoge voedingswaarde en/of
een grote weerstand tegen ziekteverwekkers)
o Als men door veredeling een gunstig fenotype heeft gevormd, willen ze dat dit niet
verstoord wordt. Ze passen hierbij dan meestal ongeslachtelijke voortplanting toe.
- Ongeslachtelijke voortplanting: hierbij groeit een deel van een individu uit tot een nieuw
individu. Dit kan op vele manieren gebeuren. Ook blijft bij ongeslachtelijke voortplanting het
genotype van de nakomelingen gelijk aan die van de ouders.
o Stekken: een stuk van een stengel of blad afsnijden. Op het snijvlak ontwikkelen zich
wortels. Het stukje stengel of blad groeit uit tot een nieuw individu.
o Knollen: ongeslachtelijke voortplanting dat bij aardappelplanten plaatsvind. Een knol
is een verdikte stengel die veel reservevoedsel bevat en bevat knoppen (ogen). Bij
het ‘pitten’ worden deze knoppen verwijderd. Uit een knop die gaat uitlopen
ontstaat een aardappelplant. Deze aardappelplant vormt nieuwe knollen waaruit ook
weer nieuwe aardappelplanten kunnen ontstaan.
o
Weefselkweek: een bijzondere manier van stekken. Een kweker snijdt met een
scherp mesje knoppen van een plant af. Zo’n afgesneden punt wordt ook wel
groeipunt genoemd. De groeipunten worden in speciale buisjes gestopt met een
voedingsbodem (bevat speciale stoffen die zorgen voor een snelle groei en
ontwikkeling). de groeipunten groeien hierin uit tot kleine plantjes. Na 6 weken
bevatten deze plantjes ook groeipuntjes en die worden weer in verschillende buisjes
gedaan om ze verder voort te planten.
Als er eenmaal genoeg plantjes zijn houdt de kweker een deel apart en na enkele
weken krijgen deze plantjes een nieuwe voedingsbodem die de stevigheid en groei
bevorderen. Hierna kunnen ze in de grond worden gezet.
Mutatie: een plotselinge verandering van het genotype.
- Ontstaat als een chromosoom beschadigt raakt. Het gevolg hiervan is dat de informatie voor
één of meer eigenschappen wordt veranderd.
o Dat één of meer genen veranderen heet gemuteerd zijn.
- Als in een lichaamscel een mutatie optreedt blijven de andere cellen in het lichaam
ongewijzigd.
o Gevolg: de mutatie heeft dan geen gevolgen
- Als in een geslachtscel een mutatie optreedt kan dit een grote uitwerking krijgen.
o Als deze geslachtscel bij een bevruchting versmelt met een ander geslachtscel komt
het gemuteerde gen terecht in de bevruchte eicel.
 Gevolg: hieruit ontwikkelt zich een nakomeling die in elke lichaamscel het
gemuteerde gen heeft.
- Mutant: een individu waarbij een gemuteerd gen tot uitdrukking komt in het fenotype.
o Voorbeeld: een albino
 Bij een albino is het lichaam niet in staat om pigment te vormen, waardoor
de huid of vacht erg bleek is. Dit kan bij dieren en mensen voorkomen.
- Mutageen: invloeden uit het milieu die mutaties veroorzaken
o Voorbeelden: radioactieve straling, röntgenstraling of Uv-straling.
Kanker: ergens in het lichaam ontstaat een kwaadaardig gezwel.
- Gezwel (tumor): ontstaat als cellen zich te snel en ongeremd gaan delen.
o Goedaardige gezwellen: gezwellen die langzaam groeien en de bouw van de
weefsels niet verstoren. Als ze te groot worden, kunnen ze operatief verwijderd
worden. De patiënt is hierna genezen.
- Kanker is waarschijnlijk het gevolg van mutaties in de genen van een cel. De mutaties hebben
tot gevolg dat ze zich ongeremd gaan delen.
o Een kwaadaardig gezwel groeit veel sneller dan een goedaardig gezwel.
Kanker begint met een gezwel (dit gezwel is meestal niet dodelijk). Dit kan operatief worden
verwijderd of kan worden gedood door bijvoorbeeld bestraling.
o De meeste kankerpatiënten sterven aan uitzaaiing (metastase). Uitzaaiing is dat de
cellen van het eerste gezwel terechtgekomen zijn in het bloed of in de lymfe. Deze
cellen worden door het lichaam vervoerd en komen in andere cellen terecht. Daar
kunnen de cellen zich weer ongeremd gaan delen. Hierdoor ontstaan overal in het
lichaam gezwellen.
Genetisch advies: een erfelijkheidsonderzoeker onderzoekt hoe groot de kans is dat er kinderen
worden geboren met een erfelijke ziekte of afwijking.
- Man en vrouw kunnen daarna beslissen over een eventuele zwangerschap.
- Genetisch advies vragen is verstandig voor iemand die tot een risicogroep behoort.
o Bijvoorbeeld:
 Er een erfelijke ziekte in de familie voorkomt
 Een vrouw al enkele malen een miskraam heeft gehad
 Man of vrouw heeft blootgestaan aan een hoge dosis radioactieve straling.
Prenataal onderzoek: vóór de geboorte wordt onderzocht of het kind een ziekte of afwijking heeft.
- Echoscopie: door middel van geluidsgolven wordt het embryo zichtbaar gemaakt op een
scherm.
- Vlokkentest: er wordt wat weefsel uit de placenta gehaald. Van cellen van het embryo
worden de chromosomen onderzocht.
- Vruchtwaterpunctie: er wordt wat vruchtwater met cellen van de foetus uit de baarmoeder
gehaald. Hiervan worden de chromosomen onderzocht.
- Bij een ernstige ziekte of afwijking kunnen de ouders abortus overwegen.
Biotechnologie: een verzamelnaam voor technieken waarbij organismen worden gebruikt om
producten te vervaardigen voor de mens.
- Biotechnologie wordt toegepast bij de productie van voedingsmiddelen, hormonen en
geneesmiddelen.
- Voorbeelden van biotechnologie waarbij de erfelijke eigenschappen van organismen niet
worden veranderd:
o Gisten worden gebruikt bij de productie van brood, bier en wijn.
o Bacteriën worden gebruikt bij de productie van yoghurt en zuurkool.
Genetische modificatie: de mens verandert de erfelijke eigenschappen van anderen soorten
organismen.
- Vind plaats door recombinant-DNA-technieken waarbij in het DNA van een organisme
nieuwe erfelijke informatie wordt aangebracht.
o Bijvoorbeeld: DNA afkomstig van een ander soort organisme.
- Transgeen: genetisch gemodificeerde organismen.
o De veranderde organismen kunnen voor de mens nieuwe of goedkopere
voedingsmiddelen, hormonen of geneesmiddelen produceren.
 Bijvoorbeeld: bacteriën produceren het hormoon insuline, doordat het gen
van de mens voor de productie van insuline in deze bacterie is ingebracht.
Klonen: met speciale technieken worden dieren ongeslachtelijk voortgeplant. Bij koeien wordt dit
toegepast om veel kalveren met een gunstig genotype te verkrijgen.
- Klonen is mogelijk door embryosplitsing of celkerntransplantatie.
o Embryosplitsing: het klompje cellen dat uit een bevruchte eicel ontstaat, wordt
gesplitst in enkele klompjes cellen. Elk klompje cellen wordt in de baarmoeder van
een draagmoeder ingebracht en kan uitgroeien tot een nakomeling.
o
Celkerntransplantatie bij koeien:
 Uit een koe haalt men een klompje cellen weg dat uit een bevruchte eicel is
ontstaan.
 Dit klompje cellen wordt gesplitst in afzonderlijke cellen.
 Elke afzonderlijke cel wordt samengevoegd met een eicel, waaruit van
tevoren de kern is gehaald.
 De cellen smelten samen, waarna ze uitgroeien tot klompjes cellen.
 Deze klompjes cellen worden in draagkoeien ingebracht (geïmplanteerd).
 De klompjes cellen groeien uit tot kalveren die alle hetzelfde genotype
hebben.
Het oplossen en bestrijden van misdaden door DNA-onderzoek:
- Ieder mens heeft zijn eigen, unieke DNA.
- Als op de plaats van het misdrijf huidschilvers, haren, sperma of bloed wordt aangetroffen,
wordt het DNA hieruit onderzocht.
- Dit DNA wordt vergeleken met het DNA van verdachte personen.
Download